Abraham Walg, Ester Walg-Cracau en hun kinderen Victor, Marcus, Aaron en Jacques Walg

Van Steenbergenlaan 50, Terneuzen

Abraham Walg werd geboren in Bergen op Zoom op 16 augustus 1905 als zoon van Marcus Joseph Walg en Debora Polak. Op 14 december 1933 trouwde hij met de 25-jarige Ester Cracau uit Vlissingen. Ester was de dochter van Victor Cracau en Engeltje Frank. Bij hun huwelijk was Esters vader al overleden, haar broers Aron en David traden als getuigen op.

Het jonge paar vestigde zich in Goes, waar Abraham als koopman in manufacturen de kost verdiende. Ester raakte al snel in verwachting en op 16 oktober 1934 werd hun oudste zoon Victor geboren. Een jaar later volgde een tweede zoon, Marcus, op 11 oktober 1935. Zakelijk waren Abraham en Ester echter in grote problemen geraakt. Twee weken na de geboorte van Marcus verklaarde de Middelburgse rechtbank Abraham Walg, manufacturier te Goes, wonende aan de Papegaaistraat 12 failliet.

 

Van Steenbergenlaan 50 voor de sloop.

Het gezin Walg verhuisde daarop naar Kloetinge, waar Abraham en Ester met hun twee kleine kinderen op de Heernisseweg B 45 gingen wonen. Een jaar later, nadat het faillissement zonder enige uitkering aan de schuldeisers was beëindigd, vertrokken zij naar Vlissingen. Daar werd op 3 januari 1937 hun derde zoon Aaron geboren. Als woonadres noemt de burgerlijke stand De Ruijterstraat 7. Ook dat verblijf was echter van korte duur. In oktober van hetzelfde jaar meldde de Zeeuwsche Koerier dat A. Walg en zijn gezin zich in Sas van Gent gevestigd hadden. Vandaar ging het in januari 1939 naar Terneuzen waar het gezin Walg een huurwoning op de Van Steenbergenlaan 50 betrok. Hier werd hun laatste zoon Jacques op 24 oktober 1939 geboren.

Op 24 maart 1942 werden Abraham en Ester gedwongen deze woning te ontruimen. Samen met hun kinderen moesten zij Zeeland verlaten en naar Amsterdam verhuizen. Ester en haar kinderen stierven op 7 september 1942 in Auschwitz, Abraham overleed twee jaar later in februari 1944. Hun woning aan de Van Steenbergenlaan 50 werd in 1973 gesloopt.

Katie Heyning

Abraham Walg
Bergen op Zoom, 16 augustus 1905
Extern Kommando Ludwigsdorf, 19 februari 1944
Bereikte de leeftijd van 38 jaar

Ester Walg-Cracau
Vlissingen, 9 februari 1908
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 34 jaar

Victor Walg
Goes, 16 oktober 1934
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 7 jaar

Marcus Walg
Goes, 11 oktober 1935
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 6 jaar

Aaron Walg
Vlissingen, 3 januari 1937
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 5 jaar

Jacques Walg
Terneuzen, 24 oktober 1939
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 2 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Emile Albertus Eckstein

Houtmarkt 8, Hulst

Portret van Emile Eckstein.

Emile Eckstein werd geboren in Hulst op 16 mei 1920. Hij was het vierde kind van de Joodse kleermaker Mozes Eckstein (Appingedam 26 augustus 1885 – Amsterdam 31 december 1961) en zijn rooms-katholieke echtgenote Maria Clotilda Stevens (St. Jansteen 19 december 1880 – Amsterdam 2 maart 1961), die op 10 juli 1914 in Sint Gilles Waes (België) in het huwelijk waren getreden. Met hun zes kinderen – vijf zonen en een dochter die allen rooms-katholiek gedoopt werden – woonden zij in Hulst.

 

Familie Eckstein met vier van hun zes kinderen.

Emile groeide op in Hulst en vond na zijn schooljaren werk als chauffeur/automonteur. In 1939 woonde hij nog bij zijn ouders op Houtmarkt 8. Doordat zijn vader Mozes Eckstein van de Duitse bezetter een G 51 status kreeg, moest hij Zeeland verlaten.

 

 

 

Met zijn ouders, broers en zuster verhuisde hij naar Amsterdam, waar zij in juli 1942 op Rapenburg 99 woonden. Vader Mozes werd opgepakt, maar werd volgens een aantekening in het Gemeentearchief van Hulst in juli 1943 uit Westerbork ontslagen, omdat hij met een rooms-katholieke vrouw getrouwd was en katholiek gedoopte kinderen had. Op één na overleefde het gezin Eckstein de oorlog. Emile werd op 23 maart 1943 – naar het schijnt wegens sabotage aan een Duitse vrachtwagen – opgepakt en naar kamp Vught gestuurd. Twee weken later ging Emile vanuit Westerbork op transport naar Sobibor waar hij bij aankomst werd vergast.

Katie Heyning

Emile Albertus Eckstein
Hulst, 16 mei 1920
Sobibor, 9 april 1943
Bereikte de leeftijd van 22 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Gemeentearchief Hulst

Izaak Fonteijn en Johanna Fonteijn-Koppel

Van Steenbergenlaan 22, Terneuzen

De winkel van Izaak Fonteijn aan de Noordstraat 22 in Terneuzen. Zeeuws Archief, ZI-P-07840.

 

 

 

 

 

 

 

Izaak Fonteijn werd op 10 oktober 1880 om 8 uur ’s avonds geboren in Terneuzen als zoon van Karel Fonteijn (Middelburg 1846 – Terneuzen 16 september 1925, zoon van Joseph Fonteijn en Saartje Cohen) en Naatje Blok (Sas van Gent 9 maart 1846 – Terneuzen 2 september 1908, dochter van Isaac Blok en Engeltje Roffessa). Zijn ouders waren op 14 augustus 1877 in Terneuzen getrouwd en zouden in de daaropvolgende jaren zeven kinderen krijgen. Na een doodgeboren kindje werd hun oudste zoon Joseph in 1879 geboren, vervolgens volgden Izaak in 1880, Engeltje in 1882, Saartje in 1884, Simon in 1886 en Elisabeth in 1890. Izaak groeide op in Terneuzen en trouwde op 22 juni 1910 in Wisch (Gld.) met de 25-jarige Julia Berendsen, dochter van slager Mozes Berendsen en Elisabeth Gans. Drieëntwintig jaar later hertrouwde hij in 1933 op 52-jarige leeftijd in Den Haag met de 40-jarige huishoudster Johanna Koppel, in Zutphen geboren op 7 april 1893 als dochter van slager Jacob Koppel en Barendina de Bruin. Wanneer Julia overleed, is niet bekend. Beide huwelijken lijken kinderloos te zijn geweest.

Izaak had inmiddels in Terneuzen de manufacturenhandel van zijn vader overgenomen.  Maar waar vader Karel er nog elke dag op uit trok met een wagen vol ‘ellegoed’ om in Terneuzen en omgeving zijn waren te verkopen, richtte Izaak een winkel aan de Noordstraat 22 in. Aanvragen uit 1930 voor vergunningen voor de bouw van een magazijn achter de winkel en het aanbrengen van een dubbel etalageraam in de gevel van dit pand wijzen erop dat de zaken goed gingen. Ook de bouw van een aparte autobox aan de Nieuwediepstraat in 1932 en het veelvuldig plaatsen van advertenties in de krant duiden hierop.

Advertentie uit 1939.

Een van de hoogtepunten zal voor Izaak de Terneuzense winkelweek van 25 tot 30 augustus 1930 geweest zijn. Nadat de gezamenlijke winkeliers van Terneuzen hem in juli tot secretaris/penningmeester van het organiserend comité hadden benoemd, was hij voortvarend aan de slag gegaan. De Zeeuwsche Koerier van maandag 25 augustus 1930 geeft een fraai overzicht van het programma van die week. Op 25 augustus werd de aftrap gegeven met een feestelijke rondgang. Begeleid door het plaatselijk muziekgezelschap trokken bestuur en leden van het comité die avond door de stad. De dag daarop werd ‘s avonds een letterwedstrijd georganiseerd. In de etalages van de 85 deelnemende winkeliers werden die avond letters gelegd die samen de woorden ‘Winkelweek Terneuzen Klimop’ vormden. De eerste vijf personen die correct konden aangeven waar de letters lagen, ontvingen een prijs. Woensdagmiddag werden de festiviteiten voortgezet met een reclame-optocht met praalwagens waarop 85 in het wit geklede meisjes met kroontjes van klimop de menigte toezwaaiden. Die avond was er voor de lokale kinderen een verlichte optocht met muziek georganiseerd. Donderdag- en vrijdagavond waren gereserveerd voor uitvoeringen en concerten, zaterdag werd de week afgesloten met de volksspelen ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Hare Majesteit de Koningin, een concert door het muziekgezelschap ‘De Vereenigde Werklieden’ en een groot vuurwerk. Die avond werd ook de uitslag van de gehouden vlaggenwedstrijd bekend gemaakt. Wie de mooiste of grootste Nederlandse vlaggen had weten te vervaardigen uit de – door de winkeliers gestempelde! – rood-wit-blauwe strookjes die men die week in de winkels had uitgedeeld, maakte kans op allerhande fraaie prijzen. Het organiserend comité zal die zomer weinig tijd voor andere zaken hebben gehad en Izaak zal zonder twijfel alle mogelijke lof voor zijn tomeloze inzet hebben gekregen!

Tien jaar later was het tij echter gekeerd. De Duitse bezetting had het leven drastisch veranderd. Plichtsgetrouw leverde Izaak Fonteijn in april 1941 zijn radiotoestel in, nadat het Departement van Justitie inbeslagneming van alle radio-ontvangtoestellen in het bezit van Joden had verordonneerd. Op 30 april 1942 werd zijn verlaten huurwoning aan de Van Steenbergenlaan 22 door de politie ontruimd en werden de achtergelaten eigendommen in een schip gestouwd. Isaak en Johanna waren kort hiervoor gedwongen naar Amsterdam vertrokken. Op 14 januari 1943 arriveerden zij in Westerbork, op 23 februari werden beiden op transport gesteld naar Auschwitz, waar zij bij aankomst overleden.

Katie Heyning

Izaak Fonteijn
Terneuzen, 10 oktober 1880
Auschwitz, 26 februari 1943
Bereikte de leeftijd van 62 jaar

Johanna Fonteijn-Koppel
Zutphen, 7 april 1893
Auschwitz, 26 februari 1943
Bereikte de leeftijd van 49 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Krantenbank ZBú Planbureau van Zeeland
Gemeentearchief Terneuzen
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Isaac Engers

Nieuwediepstraat 101, Terneuzen

Nieuwediepstraat rond 1910.

 

 

 

 

 

 

 

Isaac Engers werd geboren in Amsterdam op 31 december 1886. Hij was het derde kind en de oudste zoon van Meijer Engels (geboren Aarlanderveen 26 maart 1856 – overleden Amsterdam 1 februari 1938) en Betje Plukker (geboren Amsterdam 8 november – begraven in Diemen 11 juli 1923). Samen met zijn twee broers en zeven zusjes groeide hij op in Amsterdam.

Wanneer Isaac het ouderlijk nest verliet, is niet bekend. Als venter in galanterieën zwierf hij van de ene stad naar de andere. In 1931 woonde hij in Eindhoven, vandaar vertrok hij naar Den Haag waar hij enige jaren op de Kleine kade 29 woonde. In oktober 1939 verhuisde hij naar Zeeland. Eerst naar Goes, vervolgens in september 1940 naar Terneuzen. In 1941 was zijn woonadres Nieuwediepstraat 101.

Net als de andere Joden werd hij op 24 maart 1942 gedwongen Terneuzen te verlaten. Een half jaar later overleed Isaac Engers in Auschwitz op 30 september 1942.

Katie Heyning

Isaac Engers
Amsterdam, 31 december 1886
Auschwitz, 30 september 1942
Bereikte de leeftijd van 55 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Krantenbank Zeeland

Mozes Hoepelman

Dijkstraat 75, Terneuzen

Mozes Hoepelman

Mozes Hoepelman werd geboren in Amsterdam op 26 september 1886 als zoon van Lucas Hoepelman en Jansje Pijo. Wanneer en waarom hij van Amsterdam naar Zeeland verhuisde, is niet bekend. In 1941 komt zijn naam voor op de lijst van Joodse inwoners van Terneuzen. Als koopman in manufacturen is hij dan woonachtig op de Eerste de Feijterstraat 1. Een jaar later wordt als woonadres Dijkstraat 75 opgegeven. Voor de berichten dat Hoepelman getrouwd was en dat zijn echtgenote in de oorlog van hem scheidde, kon geen bevestiging worden gevonden.

In maart 1942 werd Mozes Hoepelman samen met de andere Joodse inwoners gedwongen Terneuzen te verlaten. Hij overleed enkele maanden later op 7 september 1942 in Auschwitz.

Katie Heyning

Mozes Hoepelman
Amsterdam, 26 september 1886
Auschwitz, 7 september 1942
Bereikte de leeftijd van 55 jaar

Bronnen:
Joods Monument

Rebekka Bartha Vriesman-van Wittene

Lange Delft 19 (voorheen 27)

Rebekka van Wittene werd geboren in Middelburg op 3 april 1896 als dochter van Levie van Wittene en Betje Braasem. Zij trouwde op 28 augustus 1918 met kleermaker Maurits Vriesman, die in Amsterdam was geboren op 14 april 1895 als zoon van pettenfabrikant Berend Vriesman en Henriëtte van Aalst. Samen kregen Rebekka en Maurits drie kinderen: Henriëtte geboren op 18 februari 1919, Levie Berend (Boudy) geboren op 17 april 1920 en Bernhard geboren op 22 september 1921.

Trouwfoto Rebekka Bartha Vriesman-van Wittene met Maurits Vriesman

Rebekka, die was opgegroeid in een warm en hecht gezin met zeven kinderen in de Middelburgse Heerenstraat, waar haar ouders een groothandel in chocolade en suikergoed hadden, was de eerste die het ouderlijk nest verliet. Samen met haar echtgenoot, die zich als kleermaker/coupeur in Middelburg vestigde, ging zij op de Dam wonen. Op 30 juni 1919 plaatste Maurits Vriesman een advertentie in de Middelburgsche Courant om het publiek te laten weten dat hij zich als ‘tailleur’ gevestigd had op Dam Zuidzijde G 60. Hij attendeerde in zijn oproep met name op zijn handigheid in het keren, repareren en oppersen van alle soorten dames- en herenkleding. Rebekka die in februari haar eerste kind had gekregen, adverteerde op haar beurt dat najaar om een net meisje voor overdag. Werk en kinderen blijken vertier echter niet in de weg te hebben gestaan. Aan het begin van de jaren twintig trok het gezin ’s zomers steevast met de kinderen naar het strand in Domburg. ’s Winters was er het jaarlijkse bal-masqué van de Gymnastiek- en Schermvereeniging Medioburgum. Samen met een van haar zusjes won Rebekka daar tot twee keer toe een prijs. In januari 1927 kregen zij verkleed als boertje en boerinnetje de eerste prijs in de categorie paren; in februari 1931 werd hun uitmonstering als ‘de kleine man en de dikke dame van de kermis’ eveneens met een eerste prijs beloond.

De zaak van Maurits Vriesman was in 1923 zover gegroeid dat hij de stap naar een grotere winkel waagde. Op Lange Delft B 113, op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat openden Maurits en Rebekka in 1923 The Columbia Import Shop, een winkel waar kleding en modegarnituren te koop waren en waar men zich met behulp van de modernste stoffen maatkostuums, jassen en andere kledingstukken kon laten aanmeten. Advertenties in de verschillende kranten geven een goed beeld van het assortiment dat zij voerden. De zaken gingen duidelijk goed en in het najaar van 1929 besloten zij naar een ander pand te verhuizen. Eind november werd de winkel op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat opgeheven en verhuisde Kleeding- en Modemagazijn M. Vriesman & Co naar Lange Delft 144, recht tegenover Grand Hotel Verseput. Zaterdag 23 november sloot The Columbia Import Shop definitief haar deuren. Dinsdag 26 november opende de familie Vriesman haar nieuwe winkel op nummer 144. De Middelburgsche Courant van 26 november besteedde volop aandacht aan het geheel gemoderniseerde modemagazijn: ‘Reeds de beide flinke etalagekasten geven een indruk van het vele, dat in deze zaak te koop is, maar met recht geldt hier, dat men van buiten niet kan zien, wat er van binnen te koop is. In den winkel is de voorraad zeer groot en keurig gerangschikt, zoodat men beter dan in de oude zaak kan zien, wat er zooal voor moois gebracht wordt. Voor goede verlichting van winkel en uitstalkasten is gezorgd en de winkel mag weder als een goede aanwinst voor de eerste winkelstraat worden aangemerkt.’

Advertentie in de Middelburgsche Courant, 24-3-1924

De vreugde was echter van korte duur. In de nacht van 7 december brak op de Lange Delft een enorme brand uit, waarbij acht panden waaronder de winkel van Simon de Wit en Grand Hotel Verseput volledig in vlammen opgingen. Het nieuwe modemagazijn van Vriesman – recht tegenover Hotel Verseput – wist de brandweer voor totale vernietiging te behoeden. Met gevaar voor eigen leven hadden de spuitgasten door de slangen op het dak van Vriesman te hijsen de winkel en daarnaast gelegen panden weten te behouden. De ravage was echter enorm en een groot deel van de winkelvoorraad had brand- en waterschade opgelopen. Door met man en macht aan de heropening te werken, kon de winkel op 21 december weer open. Het publiek werd in advertenties opgeroepen zijn voordeel te komen doen met de spotprijzen waarvoor de goederen die door het water enigszins geleden hadden nu te koop werden aangeboden.

 

De brand in de Lange Delft, 1929. Zeeuws Archief, ZI-P-01889.

De jaren dertig verliepen gelukkig wat kalmer, al zal de onhandige schilder die op 7 janua ri 1930 bij het afbranden van de verf de middelste console van de daklijst in brand stak, de nodige emoties hebben opgeroepen. De schrik zat er natuurlijk goed in. De vlammetjes die uit de daklijst sloegen, werden echter snel gedoofd en de middelste console uit voorzorg verwijderd. De zaak liep goed, de kinderen groeiden in deze jaren voorspoedig op en vlogen na verloop van tijd een voor een uit. Dochter Henriëtte vertrok in augustus 1937 naar Blaricum en ging vervolgens in november 1939 als verpleegster in het Academisch Ziekenhuis in Leiden werken. Zoon Boudy, die in augustus 1939 geslaagd was voor zijn staatsexamen B, vertrok hetzelfde najaar naar Amsterdam om rechten te gaan studeren. Rebekka en Maurits bleven met hun jongste zoon wonen boven het winkelpand op de Lange Delft, dat na de nieuwe nummering als nr. 27 bekend stond.

Advertentie in de Middelburgsche Courant, 7-1-1931.
Ravage na de brand. De winkel van Vriesman is het pand aan de rechter kant, drie huizen van Simon de Wit. Zeeuws Archief, HTAM-P-0461.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vlak voor de Duitse inval besloot Maurits Vriesman Nederland te verlaten. Samen met zijn zoon Bernhard en neef Mouritz Jesaijes trok hij naar Frankrijk, waar zij op 15 mei 1940 aankwamen. Toen bij de brand van Middelburg op 17 mei 1940 de Lange Delft voor de tweede keer in de as werd gelegd, stond Rebekka er alleen voor. Deze keer was ook het pand van de familie Vriesman volledig in vlammen opgegaan. Rebekka nam haar intrek bij familie op Lange Geere 30 en zette van daaruit het bedrijf zo goed mogelijk voort. Al op 28 mei adverteerde zij dat Kledingmagazijn M. Vriesman tijdelijk op Lange Geere 30 was gevestigd en dat bestellingen gaarne ingewacht werden. Pas op 16 augustus kon zij een noodwinkel in de daarvoor gebouwde galerij aan de noordzijde van de Dam tegenover de Handelsschool betrekken. De daaropvolgende anderhalf jaar was de winkel voor herenkleding en modeartikelen van M. Vriesman gevestigd op Dam 16. Hoewel ze ongetwijfeld hulp van anderen heeft gehad, moet het toch Rebekka geweest zijn die de winkel draaiend hield.

Noodwinkels op de Dam, 1940. Zeeuws Archief, ZI-P-8793.

Tussen 17 mei en 16 augustus 1940 woonde Rebekka tezamen met een aantal familieleden, waaronder haar moeder Betje van Wittene-Braasem op de Lange Geere 30. Of zij daar na de opening van de noodwinkel bleef of op Dam 16 introk, is niet helemaal duidelijk. Officieel bleef zij gevestigd op de Lange Geere. Ook haar oudste zoon Boudy, die volgens de aantekeningen op zijn gemeentelijke persoonskaart en de verhuisberichten in de Provinciale Zeeuwse Courant in juli 1941 vanuit Amsterdam naar Middelburg terugkeerde, staat tot maart 1942 vermeld als woonachtig op de Geere.

Portret dochter Henriette. Coll. Yad Vashem, Jeruzalem.
Portret zoon Boudy. Coll. Yad Vashem, Jeruzalem.

Net als bijna alle andere Joodse inwoners van de stad verliet Rebekka Middelburg op 24 maart 1942. De Provinciale Zeeuwse Courant van 30 juli 1942 meldde dat winkelierster R.B. van Wittene en L.B. Vriesman verhuisd waren van de Lange Geere 30 naar de Plantage Franschelaan 15 in Amsterdam. Of Boudy daar werkelijk gewoond heeft, is twijfelachtig. Omstreeks dezelfde datum nam hij zijn intrek op de Rivierenlaan 120 II (huidige Kennedylaan) bij de ouders van Hanny Michaelis, die hier in haar dagboek over schrijft. Rebekka werd als eerste van het gezin naar Westerbork en aansluitend naar Auschwitz gestuurd. Zij overleed op 1 oktober 1942 in Auschwitz. Boudy werd tijdens een razzia opgepakt en stierf in Auschwitz op 31 januari 1943, dochter Henriëtte overleed daar op 11 februari 1944. Alleen Rebekka’s jongste zoon overleefde samen met zijn vader de oorlog.

Katie Heyning

 

 

Rebecca Bartha Vriesman-van Wittene
Middelburg, 3 april 1896
Auschwitz, 1 oktober 1942
Bereikte de leeftijd van 46 jaar

Bronnen:
H. Michaelis, De wereld waar ik buiten sta, oorlogsdagboek 1942-1945, Amsterdam 2017
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
Krantenbank Koninklijke Bibliotheek
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Levie Berend Vriesman

Lange Delft 19 (voorheen 27)

Levie Berend Vriesman werd geboren in Middelburg op 17 april 1920 als zoon van Rebekka Bartha van Wittene (1896-1942) en Maurits Vriesman (1895-1979). Boudy, zoals hij genoemd werd, was het middelste kind uit dit gezin. Zijn oudere zusje Henriëtte werd geboren op 18 februari 1919, zijn jongere broer Bernhard op 22 september 1921.

Portret Boudy Vriesman. Joods Monument.

Boudy bracht zijn jeugd in Middelburg door. Na de basisschool deed hij in 1932 toelatingsexamen voor de Rijks-HBS waar hij jaarlijks netjes naar de volgende klas bevorderd werd. In juli 1937 slaagde hij voor het eindexamen. Het lijkt erop dat hij daarna niet goed wist wat hij verder met zijn leven wilde. Een cursus machineschrijven in het lokaal voor de Werkloozen aan de Zuidsingel resulteerde in juli 1938 in een diploma. Werk als kantoorbediende lijkt hem echter niet getrokken te hebben en uiteindelijk besloot Boudy Staatsexamen B te doen om naar de universiteit te kunnen. Nadat hij in augustus 1939 voor dit examen was geslaagd, vertrok Boudy naar Amsterdam om rechten te gaan studeren. De Middelburgsche Courant van 11 september 1939 meldt zijn verhuizing van Lange Delft 27 naar Grensstraat 31 in Amsterdam.

Vlak voor de Duitse inval besloot Boudy’s vader, Maurits Vriesman Nederland te verlaten. Samen met zijn jongste zoon Bernhard en zijn neef Mouritz Jesaijes trok hij naar Frankrijk, waar zij op 15 mei 1940 aankwamen. Toen bij de brand van Middelburg op 17 mei 1940 de Lange Delft volledig in de as werd gelegd, stond Boudy’s moeder er alleen voor. Rebekka Vriesman-van Wittene besloot haar intrek bij familie op Lange Geere 30 te nemen en van daaruit het kledingbedrijf M. Vriesman zo goed mogelijk voort te zetten. Pas in augustus betrok zij een noodwinkel in een daarvoor gebouwde galerij aan de noordzijde van de Dam. Vanaf 17 mei 1940 woonde Rebekka tezamen met een aantal familieleden officieel op de Lange Geere 30. Ook Boudy, die volgens de aantekeningen op zijn gemeentelijke persoonskaart en de verhuisberichten in de Provinciale Zeeuwse Courant in juli 1941 vanuit Amsterdam naar Middelburg terugkeerde, stond tot maart 1942 officieel als woonachtig op Lange Geere 30 vermeld. Of hij daar ook daadwerkelijk woonde, is niet meer na te gaan. De berichten hierover spreken elkaar tegen.

Boudy’s fiets in Amsterdam.

Net als bijna alle andere Joodse inwoners van de stad werd Rebekka gedwongen Middelburg op 24 maart 1942 te verlaten. Boudy verbleef waarschijnlijk al die tijd al in Amsterdam. De Provinciale Zeeuwse Courant van 30 juli 1942 meldde dat winkelierster R.B. van Wittene en L.B. Vriesman verhuisd waren van de Lange Geere 30 naar de Plantage Franschelaan 15 in Amsterdam. Of Boudy daar werkelijk gewoond heeft, is eveneens twijfelachtig. Omstreeks dezelfde datum nam hij zijn intrek op de Rivierenlaan 120 II (huidige Kennedylaan) bij Alfred en Gonda Michaelis. Hun dochter Hanny, in wier kamer Boudy kwam te wonen, was in eerste instantie niet blij met deze nieuwe huurder en beschreef hem in haar dagboek op bijzonder onflatteuze wijze. Toch vond zij hem gaandeweg steeds aardiger en praatte zij veel met hem over literatuur. Naarmate de tijd vorderde, lijken zowel haar ouders als Hanny steeds meer op hem gesteld te raken. Later zou Hanny met weemoed terugdenken aan de avonden die zij met zijn vieren doorbrachten, pratend over boeken en politiek bij een schemerlamp in de kleine, halfdonkere huiskamer.

Aan dit alles kwam een eind toen Boudy in oktober 1942 tijdens een razzia werd opgepakt. Volgens de familieoverlevering was hij ondanks de avondklok toch de straat opgegaan om van zijn kamer in de Rivierenlaan een pyjama of een tandenborstel te halen. Boudy stierf in Auschwitz op 31 januari 1943, zijn zusje Henriëtte overleed daar op 11 februari 1944. Al eerder was zijn moeder in Auschwitz omgekomen. Alleen zijn vader en zijn jongste broer Bernhard, die drie jaar in een Jappenkamp zaten, overleefden de oorlog.

Katie Heyning

Levie Berend Vriesman
Middelburg, 17 april 1920
Auschwitz, 31 januari 1943
Bereikte de leeftijd van 22 jaar

Bronnen:
H. Michaelis, De wereld waar ik buiten sta, oorlogsdagboek 1942-1945, Amsterdam 2017
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
Krantenbank Koninklijke Bibliotheek
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Betje van Wittene-Braasem

Lange Geere 30

Betje Braasem werd geboren in Middelburg op 1 december 1863. Zij was het eerste kind van Maurits Eliazar Braasem en Rebecca Bartha van Oss en werd pas een jaar en drie maanden na haar geboorte, toen haar ouders in het huwelijk traden, door haar vader erkend. Van de acht kinderen die Maurits en Rebecca kregen, overleden er vijf op jonge leeftijd. Alleen Betje, Sara en Eva trouwden en kregen kinderen en kleinkinderen. Voor Sara Polak-Braasem werd in 2016 een struikelsteen gelegd op de Langevielesingel. Voor Eva Jesaijes-Braasem en Betje van Wittene-Braasem worden in het najaar van 2017 stenen geplaatst ter hoogte van het voormalige pand Lange Geere 30.

Betje Braasem trouwde op 15 augustus 1894 met Levie van Wittene, afkomstig uit Lekkerkerk. Hij was een zoon van Andries van Wittene en Duifje van der Heim. Samen kregen zij zeven kinderen: Andries geboren op 15 april 1895, Rebekka Bartha geboren op 3 april 1896, Duifje geboren op 24 augustus 1897 en zes maanden later overleden op 26 februari 1898, Saartje geboren op 26 maart 1899, Mouritz geboren op 30 mei 1900, een tweede Duifje geboren op 21 mei 1902 en Eva geboren op 18 april 1904.

De winkel van Wittene rond 1925. Zeeuws Archief, HTAM-A-0305.

Samen met haar man dreef Betje een groothandel in chocolade en suikergoed in de Heerenstraat. Eerst zaten zij op nummer 142, later verhuisde de zaak naar nummer 130. De zaken lijken voorspoedig te zijn gegaan. Regelmatig werd in de lokale kranten geadverteerd en maakten zij reclame voor chocolade, suikerwerken, olienoten, sinaasappelen, paasbrood of speculaas. In de weken voor Sinterklaas werd steeds extra aandacht aan de tekst besteed en trachtten de Van Wittenes met behulp van korte gedichtjes hun koopwaar onder de aandacht te brengen. In de Faam van 11 november 1903 luidde de tekst bijvoorbeeld als volgt:

Al was de Zomer nog zoo nat,
Al ging Transvaal in Engeland’s schat,
Al moest De Wet het ook opgeven,
Al moest Dreyfus op ’t Duivels-eiland leven,
Al vindt men in Indië, nog zooveel Mooren,
De St. Nicolaas van v. Wittene, gaat toch nooit verloren,
Ze is altijd lekker, hard en versch,
Men koopt ze nergens zoo lekker en best,
Men kan ze er krijgen, wanneer men ook komt,
En dat voor den prijs van 30 Cent ’t Pond.
Eerst proeven voor men ze koopt, dat is de zekerste zaak,
Bij L. v. Wittene H 142, in de Heerenstraat.

In 1924 kwam hieraan een einde. Levie overleed op 10 mei 1924 op de leeftijd van 63 jaar ‘na een langdurig en smartelijk lijden’ en een half jaar later zette zijn weduwe de winkel te koop. In de Middelburgsche en Vlissingsche Courant van 25 november bood zij ‘een beklante grossierderij in Chocolaad en Suikerwerken, benevens Paard en Wagen, om daarmede de klanten te bezoeken’ ter overname aan. Nadat de verkoop een feit was, verhuisde Betje met haar kinderen naar Gortstraat K 26 (tegenwoordig nr. 44), het huis van haar zwager Salomon Jesaijes.

Advertentie in de Faam, november 1906.

Naast haar werkzaamheden in de winkel was Betje ook jarenlang badvrouw van de Joodse gemeente geweest en had zij zorg gedragen voor het rituele bad bij de synagoge. In juli 1918 vond zij het na meer dan 25 jaar welletjes. In het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 12 juli wordt verslag gedaan van haar afscheid. Voorzitter Ch. Boasson en directrice M. van Brakel-Boers spraken bij die gelegenheid hun waardering uit en bedankten haar voor de ijver en nauwgezetheid waarmee zij zovele jaren haar taken had vervuld. Als afscheidscadeau bood men Betje een tafelgarnituur van zes couverts aan.

Het gezin van Betje en Levie beschreef haar dochter Eva jaren later nog als warm, hecht en gezellig. Uit de Middelburgsche Courant is hier en daar een glimp van hun leven op te vangen. Zo zal het motorongeluk van zoon Andries in augustus 1920 de nodige opschudding hebben veroorzaakt. Samen met een van zijn neven Polak en twee vriendinnetjes was Andries op zondag 15 augustus naar Oostkapelle gegaan. Scheurend op hun motoren – volgens een getuige als dwazen midden op de weg – stuitten zij op de Noordweg bij Zeeduin op een automobiel van de firma Gilde. Andries wist het voertuig net te ontwijken, zijn neef brak echter zijn been en het meisje dat bij hem achterop zat, belandde zwaar gehavend op de motorkap van de auto. Vrolijker was de prijs die Rebekka en een van haar zusjes in februari 1931 op het jaarlijkse bal-masqué van de Gymnastiek- en Schermvereeniging Medioburgum behaalden. Verkleed als ‘de kleine man en de dikke dame van de kermis’ behaalden zij de eerste prijs in de categorie paren.

Staand van links naar rechts Salomon Jesaijes, zijn zoon Justus, Eva Jesaijes-Braasem en Andries van Wittene. Zittend Betje van Wittene-Braasem en haar man Levie van Wittene. Begin jaren ’30. Part. coll.

De jaren twintig en dertig stonden vooral in het teken van familiegebeurtenissen. Rebekka was als eerste in augustus 1918 getrouwd met Maurits Vriesman. Zoon Mouritz trouwde op 2 december 1927 met Catharina van Schouwen. Saartje werd op 22 februari 1922 in Rotterdam met Philip Mug in de echt verbonden, Duifje trouwde op 2 september 1931 eveneens in Rotterdam met Louis Allemans. Eva ging als laatste op 28 november 1934 met Cornelis Bosschaart een huwelijk aan. De geboorte van diverse kleinkinderen zal met vreugde begroet zijn, de onverwachte dood van Betjes oudste zoon Andries op 30 september 1933 het gezin in rouw hebben ondergedompeld.

Aan het eind van de jaren dertig vertrok Betje Braasem uit het huis in de Lange Gortstraat. Tenminste vanaf 1940 woonde zij samen met een groot aantal familieleden op de Lange Geere 30. In juni 1940 waren hier volgens de gemeente Betje zelf, haar dochter Rebekka Bartha met haar man Maurits Vriesman en hun zoon Bernhard, haar dochter Eva met haar niet-Joodse echtgenoot Cornelis Bosschaart, Betjes zuster Eva Jesaijes-Braasem en de vijf kinderen van Betjes zoon Mouritz woonachtig.

Betje verliet Middelburg samen met alle andere Joden op 24 maart 1942. Een half jaar later overleed zij op 1 oktober 1942 in Auschwitz. Van haar kinderen zouden alleen Mouritz en Eva de oorlog overleven.

Katie Heyning

Betje van Wittene-Braasem
Middelburg, 1 december 1863
Auschwitz, 1 oktober 1942
Bereikte de leeftijd van 78 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
Krantenbank Koninklijke Bibliotheek
NRC, 21.11.1994, bijdrage Annet van Eenennaam
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Lion Polak

Rouaansekaai 27

Lion Polak werd op 6 september 1925 in Middelburg geboren als zoon van Mouritz Polak (1899-1972) en Clara Helena Drielsma (1901-1994). Zijn jongere broer David werd op 11 maart 1929 geboren. Lion en David waren kleinzonen van Lion Juda Polak (1872-1937) en Sara Braasem (1869-1943). Voor haar werd in 2016 een struikelsteen op de Langevielesingel gelegd. Hun vader Mouritz dreef samen met zijn broer Mozes de door grootvader Lion opgerichte firma in lompen en metalen op de Loskade.

Uit de herinneringen die zijn jongere broer David later te boek stelde, blijkt dat Lion een prettige jeugd moet hebben gehad. Davids memoires staan vol anekdotes over bezoeken aan het vliegveld in Vlissingen, waar de jongens na aankomst van de KLM-vlucht uit Amsterdam stiekem in de cockpit kropen, over zomers aan het strand van Knokke, waar de familie jaarlijks een appartement huurde en over ‘ondeugende’ voorvallen onder aanvoering van opa Drielsma die bij hen in huis woonde. Lion bezocht van 1930 tot 1937 de Rijksleerschool Binnenstad, daarna ging hij door naar het gymnasium. Eindexamen heeft hij nooit kunnen doen. Vanaf de zomer van 1941 waren de Joodse leerlingen niet langer welkom en moest Lion noodgedwongen zijn opleiding staken.

Toen in het najaar van 1939 de politieke situatie verslechterde en de oorlog dichterbij kwam, sprak de familie Polak af en toe over de noodzaak van vertrek. Vader Mouritz ging zelfs met zijn hele gezin naar het Amerikaanse consulaat in Rotterdam om visa voor de Verenigde Staten te regelen. Tot daadwerkelijk weggaan kwam het echter niet, steeds was er weer een reden om het nog even uit te stellen. Pas in de meidagen van 1940 realiseerde de familie Polak zich dat zij Nederland beter konden verlaten. Op 14 mei verlieten Mouritz, zijn broers Mozes en Simon, zijn zusje Henriëtte en hun moeder Sara met echtgenoten en kinderen in vier auto’s van de ijzerhandel Polak de stad. Het begin was angstaanjagend. Al op de weg naar Koudekerke werden zij door een Duitse piloot bestookt en ook bij het Vlissingse station, waar de overtocht naar Breskens geregeld moest worden, ontsnapten zij ternauwernood aan het geweervuur. Omdat de veerpont alleen nog ’s nachts bleek te varen, moest bijna het hele gezelschap, dat 21 personen telde, de oversteek op een kleine duwboot wagen. Pas na het invallen van de duisternis sloten Mozes en Mouritz zich met de auto’s, waarvoor zij op de veerpont een plaats hadden weten te regelen, weer bij hun familieleden aan.

Lion Polak, Joods Monument.

Van Breskens ging de reis met horten en stoten verder. Even werd nog getwijfeld of het niet beter was via Calais naar Engeland te gaan. Berichten over voortdurende aanvallen op de boten naar Engeland, maakten Frankrijk een aantrekkelijker optie en na een tocht van een kleine veertien dagen streek het hele gezelschap neer in La Sauvagère, een klein dorpje in de Basse-Normandie, waar een groot huis werd gehuurd. Hun verblijf was echter van korte duur. Toen de Duitsers enkele weken later Nantes binnentrokken, oordeelde de familie het beter terug te keren. Eind september was de hele familie weer in Middelburg en nam het gezin van Mouritz Polak weer zijn intrek in het huis op de Rouaansekaai. Ditmaal met inwoning van de familie Sukkel, buurtgenoten die na de stadsbrand van 17 mei geen dak meer boven hun hoofd hadden en de leegstaande woning van de familie Polak hadden betrokken.

Het leven hernam na hun terugkeer zijn gewone gang, al werd het de Joodse inwoners van de stad in de daaropvolgende maanden steeds moeilijker gemaakt. Toen allen op 24 maart 1942 gedwongen werden de stad te verlaten en naar Amsterdam te gaan, moest ook het gezin van Mouritz Polak hieraan geloven. Alleen Lion lijkt eerder al vertrokken te zijn. De Provinciale Zeeuwse Courant van 6 februari maakt melding van de verhuizing van L. Polak van de Rouaansekaai 27 naar de Prins Hendriklaan 22 in Rijswijk. Mogelijk is hij vandaar naar Amsterdam gegaan. Van een verhuizing van zijn ouders en broer David wordt in de krant evenmin melding gemaakt. Volgens de memoires van David verliet het hele gezin de stad echter op 24 maart. In de hoofdstad huurde Mouritz Polak in eerste instantie een gemeubileerd appartement in de Gerrit van der Veenstraat, later verhuisden zij naar het Daniel Willinkplein. Daar kregen zij op een gegeven moment een oproep om zich op het Centraal Station te melden voor transport naar Oost-Europa.

De Rouaansekaai vanaf de Kinderdijk, 1920/30. Zeeuws Archief, ZI-P-02553.

Met hulp van de familie Sukkel – de buurtgenoten die na het bombardement op Middelburg in hun huis op de Rouaansekaai waren getrokken – werden nu valse persoonsbewijzen geregeld. De familie Polak heette voortaan Dijkstra. Op een warme zomeravond in augustus 1942 bewezen de nieuwe papieren hun nut. Toen hun straat werd afgesloten tijdens een razzia namen Mouritz, Clara en hun jongste zoon David het heft in handen, passeerden zonder problemen de barricade en namen de trein naar Utrecht waar een neef van meneer Sukkel hun onderdak bood. Lion, die nog geen nieuwe papieren had, bleef achter en zal verstopt in een kast een angstige nacht hebben beleefd. Vader Mouritz en broer David wisten hem echter de volgende dag dankzij op hun kleding gespelde SS-insignes en NSB-speldjes te bevrijden.

Het gezin van Mouritz Polak zou in de komende jaren op verschillende adressen verblijven. Soms gezamenlijk, soms van elkaar gescheiden. Uiteindelijk kwamen zij in de zomer van 1944 bijeen in Loosdrecht, waar zij eerst in Villa ’t Vissertje – eigendom van Dolf en Winny Wolthers, het echtpaar dat het gezin na hun vlucht uit Amsterdam in Utrecht had opgevangen -, en later op een woonboot in Breukelerveen onderdoken. Het einde van de oorlog naderde en Lion, die een Ausweis had weten te regelen, ging ertoe over met behulp van de uitzendingen van de BBC getypte nieuwsbulletins samen te stellen en die in het dorp te verspreiden. Helaas werd hij vlak voor de bevrijding door een van zijn lezers verraden. Op een zondagochtend in april 1945 deden vier SS-ers een inval in de woonboot en werd Lion meegenomen. De SS-ers behoorden tot het Commando Pieters, een groep Nederlandse SS-ers die in het nabijgelegen Witte Huis in Loosdrecht bivakkeerde en een afschuwelijke reputatie genoot. Tijdens zijn gevangenschap werd Lion zwaar mishandeld. Hij overleed uiteindelijk na een val waarbij hij met zijn hoofd op de stenen terecht was gekomen.

Wiegerinck beschrijft in zijn boek over dit commando hoe een medegevangene direct na de bevrijding vertelde hoe hij op een vrijdag in april een lijk uit de kelder had moeten halen en met een roeiboot naar het midden van de plas had moeten roeien. De plaats waar hij Lion – die hij als Leo Dijkstra kende – overboord gegooid had, zou hij toen hebben aangewezen opdat het stoffelijk overschot geborgen kon worden. Zijn broer David, die zodra dat kon op zoek ging naar Lion, meldt echter dat hij het was die hem tijdens zijn zoektocht in een sloot zag liggen. Uiteindelijk werd Lion bijgezet op de begraafplaats in Middelburg, waar zijn ouders en broer zo snel mogelijk naar terugkeerden. Later zouden zij naar de Verenigde Staten emigreren.

Katie Heyning

Lion Polak
Middelburg, 6 september 1925
Loosdrecht, 17 april 1945
Bereikte de leeftijd van 19 jaar

Bronnen:
D. Polak, That’s life [getypte herinneringen]
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
NIOD, Erelijst Verzet en Koopvaardij, database vervaardigd door J.W. de Leeuw
S. Wiegerinck, Het Commando Pieters; Hollandse SS-ers in Brummen en Loosdrecht april-mei 1945, Soesterberg 2014
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht

Max Israel Fischer

Stationsstraat 22

Max Fischer werd geboren op 14 november 1913 in Rosenheim, Duitsland als zoon van Johann Fischer en Karolina Kahn. Daar bracht hij zijn jeugd door en volgde hij een opleiding tot kleermaker.

In 1937 vertrok Max uit Duitsland om via Amsterdam naar Middelburg te komen. Hier vestigde hij zich in februari 1938 als kleermaker op de Stationsstraat 22. Later verhuisde hij naar de Nadorstweg 28. In deze jaren lijkt hij samengeleefd te hebben met Maria Anna Karolina Aloisia Schrettenseger. Samen kregen zij een kind dat aanvankelijk als onwettig werd beschouwd, maar in augustus 1951 op verzoek van de moeder door de rechtbank in Middelburg geëcht werd, omdat naar Duits recht aan het ‘vrije huwelijk’ de rechtsgevolgen van een wettig huwelijk werden toegekend.

Drie jaar na zijn komst naar Middelburg besloot hij Nederland te verlaten. De Provinciale Zeeuwse Courant van 3 maart 1941 meldde dat kleermaker M.I. Fischer naar Frankrijk was vertrokken. Hoe hij de resterende oorlogsjaren doorkwam, is niet bekend. In 1952 werd zijn overlijden op 29 april 1945 ‘ergens in Duitsland’ officieel in de registers van de Gemeente Middelburg bijgeschreven.

Katie Heyning

Max Israel Fischer
Rosenheim, 14 november 1913
Duitsland, 29 april 1945
Bereikte de leeftijd van 31 jaar

Bronnen:
Joods Monument
Krantenbank Zeeland
Zeeuws Archief, Zeeuwen Gezocht