Abraham, Selma en Adolph Abraham Wilkens

10_IMG_0102Breedstraat 10

 

 

 

 

 

Abraham Wilkens. Coll. M. de Ruiter.
Abraham Wilkens. Coll. M. de Ruiter.

Abraham Wilkens werd geboren op 28 oktober 1874 als oudste zoon in een gezin van vijf kinderen. Zijn ouders waren Izaak Wilkens (geboren Den Haag 9 oktober 1841) en Lena Frenk (geboren Zierikzee 4 november 1841). Hoewel Abraham in Den Haag geboren was, kwam hij al op zesjarige leeftijd naar Zierikzee. Hier trok hij in bij zijn moeders zusje, Maria Frenk, die met haar drie kinderen in de Maarstraat 15 woonde (zie aldaar). Twintig jaar later keerde Abraham op 20 maart 1900 voor korte tijd terug naar Den Haag. Na zijn huwelijk met Regina Gras (geboren Bastheimden 29 november 1872 als dochter van Joël Gras en Sara Wollmann) op 24 augustus 1903 in Gulpen (L.) keerde hij terug. Samen gingen zij in Zierikzee in de Sint Domusstraat wonen, waar Abraham als vleeshouwer een zaak begon.

Abraham Wilkens en Regina Gras. Collectie A.M. Wilkens.
Abraham Wilkens en Regina Gras. Collectie A.M. Wilkens.

Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: Selma, Izaak Abraham (zie Hofferstraat 38), Lena, Herman Abraham en Adolph Abraham. Selma was hun oudste kind (geboren 7 juni 1904), Adolph Abraham de jongste (geboren 28 november 1914). Izaak Abraham werd geboren op 19 juni 1905, dochter Lena op 19 september 1906. Het vierde kind, Herman Abraham, werd op 15 oktober 1910 geboren.
Al voor zijn huwelijk, toen hij nog bij zijn tante Maria Frenk inwoonde, was Abraham Wilkens een slagerswinkel begonnen. In 1896 vroeg hij de gemeente Zierikzee toestemming het pand aan de Maarstraat 15 te mogen inrichten voor de verkoop van vlees. Met hulp van zijn tante, nicht en neven begon hij in het voorvertrek van het huis een slagerswinkel. Na zijn huwelijk keerde hij hier niet terug, maar begon een slagerij in de Sint Domusstraat 42 (toen C143).

Abraham deed op slagersgebied goed van zich horen, getuige de vele advertenties om de aandacht te vestigen op de slagerij in de Sint Domusstraat. Zierikzeesche Nieuwsbode 19-7-1904.
Abraham deed op slagersgebied goed van zich horen, getuige de vele advertenties om de aandacht te vestigen op de slagerij in de Sint Domusstraat.
Zierikzeesche Nieuwsbode 19-7-1904.
Zierikzeesche Nieuwsbode 8-1-1917.
Zierikzeesche Nieuwsbode 8-1-1917.

 

 

 

 

 

 

Later zou hij met zijn gezin in de Breedstraat 10 (toen C562) gaan wonen. De familie Wilkens was in Zierikzee bekend om zijn slagerijen. Zowel Abraham als zijn zoon Izaak waren vleeshouwer van beroep. Toen collega slager en neef Abraham Simon Frenk, die de slagerij in de Maarstraat bestierde, overleed, nam Abraham Wilkens een aantal jaren later ook die zaak over.

Zierikzeesche Nieuwsbode 11-4-1932.
Zierikzeesche Nieuwsbode 11-4-1932.
Zierikzeesche Nieuwsbode 11-4-1932.
De slagerij aan Maarstraat 15 in de jaren ’30. Grootvader Abraham Wilkens trekt aan het touw, zoon Izaak staat in het midden tussen de koeien. Dochter Selma staat rechtsachter. Beeldbank Gemeentearchief Schouwen-Duiveland.
De slagerij aan Maarstraat 15 in de jaren ’30. Grootvader Abraham Wilkens trekt aan het touw, zoon Izaak staat in het midden tussen de koeien. Dochter Selma staat rechtsachter. Beeldbank Gemeentearchief Schouwen-Duiveland.

In 1937 was Abraham 63 jaar oud. Blijkbaar was het voor hem tijd om zijn – niet koosjere – slagerijen in de Maarstraat en de Sint Domusstraat, waar varkensvlees en spek verkocht werden, over te dragen aan zijn zoon Izaak. Deze was inmiddels getrouwd en woonde in de Hofferstraat 38 (zie aldaar).

Zierikzeesche Nieuwsbode 14-6-1937.
Zierikzeesche Nieuwsbode 14-6-1937.

Enkele jaren eerder, in 1933, hadden Abraham en Regina hun 30-jarig huwelijk gevierd. Zij woonden toen in de Breedstraat.

Nederlands Israëlitisch Weekblad 25-8-1933.
Nederlands Israëlitisch Weekblad 25-8-1933.
Breedstraat 10. Uit: Zierikzee zoals het was, dl. 4, afb. 58.
Breedstraat 10. Uit: Zierikzee zoals het was, dl. 4, afb. 58.

Hun kinderen hadden toen al deels het ouderlijk huis verlaten. Dochter Lena was op 28 augustus 1924 naar Schiedam vertrokken, waar zij als winkeljuffrouw ging werken. Zij woonde daar in bij de familie Goldsmit op de Bilderdijkstraat 52b, maar verhuisde op 27 oktober 1926 naar de Hoogstraat 113, waar zij inwoonde bij de familie Lafeber. Op 25 januari 1933 trouwde zij met de 30-jarige Jan de Ruiter, zoon van Jan de Ruiter en Maria Lammerse. Deze was kapper en sinds 1925 eigenaar van een kapperszaak in de Lange Kerkstraat 15 in Schiedam (nu Land van Belofte 13). Jan de Ruiter overleed op 23 februari 1963. Lena was toen nog in leven. Het feit dat Lena niet joods getrouwd was, is vermoedelijk de reden dat zij de oorlog overleefde.

Lena en haar broer Dolf? Coll. A.M. Wilkens.
Lena en haar broer Dolf? Coll. A.M. Wilkens.
Herman Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.
Herman Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.

Zoon Herman was naar Voorburg gegaan, keerde terug naar Zierikzee, maar verhuisde daarna toch weer naar Amsterdam waar hij op 13 januari 1932 met Maria Theresia Theodora Stuster trouwde. Zijn zoon Bram (A.M. Wilkens) vertelde hier tijdens een interview het volgende over: Ik weet niet waarom m’n vader in Voorburg heeft gezeten. Hij is weer naar Zierikzee gekomen en heeft het waarschijnlijk niet kunnen verwerken en toen is hij naar Amsterdam gegaan. Hij was kapper. Hij zal het vak ergens geleerd hebben.

Herman Abraham en zijn echtgenote woonden in Amsterdam op diverse adressen, op 12 juli 1939 woonden ze in de Tweede Jan van der Heijdenstraat 47 III. Samen kregen zij twee kinderen: Hans (geboren op 23 april 1932) en Abraham Maria (geboren op 7 september 1936). In de oorlog werd er nog een zoon Hendrikus Johannes Maria (geboren 28 juni 1943) en na de oorlog nog een dochter Margaretha Regina Selma Maria (geboren 1 december 1946). Later, in 1964, is Herman gescheiden en in hetzelfde jaar hertrouwd met Helena Wilhelmina Hendriks. Herman heeft de oorlog samen met zijn gezin overleefd, dankzij het feit dat hij katholiek geworden was en gemengd gehuwd was, hoewel zij wel werden opgepakt.

Bram (A.M.) Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.
Bram (A.M.) Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.
Maria Theresia Theodora Stuster. Coll. A.M. Wilkens.
Maria Theresia Theodora Stuster. Coll. A.M. Wilkens.

Zoon Bram wist daar het volgende over te vertellen: We hebben met het gezin in de Hollandsche Schouwburg gezeten voor op transport te gaan, m’n vader, m’n moeder, ikzelf en m’n andere broer. We hebben er 2 dagen en 2 nachten gezeten. We kregen er wel eten. Ik heb daar met andere kinderen wel gespeeld. Als kind van, hoe oud was ik, 7 jaar, dan begrijp je helemaal niet wat er aan de hand is. Je zit daar in zo’n theater, je kreeg er ook wel eten en je ziet allerlei mensen binnenkomen. Ik zie nog een dikke Duitser die op het podium klom, om stilte vroeg en dan riep hij namen af van de mensen die naar buiten moesten. Buiten stonden overvalwagens die ze naar het Amstelstation brachten waar ze dan naar Westerbork gingen. Ik heb nonnetjes gezien, paters heb ik gezien, ik heb er van alles gezien, kinderen. Nou ja, op een gegeven moment word je omgeroepen en pak je je speelgoed en ik weet niet wat, we hadden alleen maar een tasje bij ons, want alles moesten we achterlaten en dan ga je naar de ingang en dan zegt er zo’n k….z.., die achter zo’n desk zit, een Duitser, die zegt, je mag naar huis. Nou dat is heel raar. Maar dat is gekomen doordat, dat ik hier nog zit, dat komt omdat m’n moeder katholiek was, ze waren gemengd gehuwd. We waren christelijk opgevoed, katholiek gedoopt en zo. Dat zijn natuurlijk allemaal dingen die meegespeeld hebben. We zijn naar huis gegaan en m’n vader is gelijk gaan onderduiken. Na de oorlog is hij weer boven water gekomen: had hij aan de overkant van de straat ondergedoken gezeten; hij zag ons elke dag!
Over de oorlogstijd wist hij zich het volgende te herinneren:

In Amsterdam was het een verschrikkelijke tijd. Je lag als gezin uit elkaar. Je had een vader die met een ster op liep. Hij was al een paar keer opgepakt, dan moest hij in Schiphol gaan werken. M’n moeder, ja: er was geen eten, niets. Maar soms kwam m’n vader ’s avonds en waar hij het vandaan had, … kwam hij met een kat! En dan slachtte hij die; kattenvlees smaakt als kip, hoor. Ik was een dierenliefhebber, dus die kat mocht die nacht bij mij in bed. Maar de volgende morgen: m’n vader was kapper, dus die had een heel scherp scheermes, dus, in de keuken …. Ik heb het wel gegeten. Er was anders niks. We waren zo arm, dat m’n broer en ik, we gingen huis aan huis aanbellen, je had geen schoenen meer, je liep op je blote voeten en je bedelde om aardappelschillen. Je zag de mensen doodvallen op straat. In de Sarphatistraat lag het vuil meters hoog opgestapeld. Je kon er bijna niet meer in. Het vuil werd niet meer opgehaald.

Je hebt eigenlijk geen jeugd gehad, hè. Je ging niet naar school en op straat werd je gediscrimineerd. Als kind zijnde, wist je veel: ‘Je vader is een jood, je vader is een jood’, riepen ze. Je beseft het op dat moment niet, maar later ga je denken. Natuurlijk heeft niet iedereen zo geleefd, dat je zo beperkt was, maar toch …

Mijn moeder moest overal voor zorgen. Bijvoorbeeld: in de Van Woustraat liep de tram en daar waren allemaal van die houten blokjes, die lagen tussen de tramrails. Nou, huppakee, ’s morgens vroeg ging ze die halen, dan konden we die in ’t potkacheltje doen. En ja, dan werd ze gearresteerd, heeft ze twee dagen in het politiebureau gezeten en dan wist je niet waar je moeder was. Je vader was er niet, was vaak weg. Wat hij deed, wist ik niet.

Op een dag was er geen hout meer. En ik vergeet het nooit meer. Ik ben toen samen met m’n broer naar de Portugese synagoge gegaan, ben daar naar binnen gegaan en heb daar planken uit de vloer gesloopt. Dat gebouw lieten ze voor wat het was, wonderlijk, hè? En dan liepen we met dat hout weer naar huis en dan hadden we weer wat voor het potkacheltje. We zijn ook in andere huizen geweest, leegstaande huizen, misschien van Joodse mensen. Ja, je gaat op de roof. Op de Amstel lagen bijvoorbeeld schepen, barstensvol met aardappelen. Je had zelf niet te eten, er was helemaal niks. Dat werd in zakken gedaan, stonden Duitsers bij, hè, en dat werd dan op een vrachtauto geladen en je had een zakmes en een tas eronder (zo …) en je had een tas vol met aardappelen … Je was op die leeftijd al zelfstandig. Dat heeft je voor de rest van je leven gevormd.

We woonden in de Tweede Jan van der Heijdenstraat, bij de Van Woustraat, bij de Ceintuurbaan, de Valeriusstraat, bij de Albert Cuypstraat, zeg maar. Daar heeft zich van alles afgespeeld met die Duitsers. Het was een buurt, het was eigenlijk het Joodse gedeelte van Amsterdam, daar woonden voor de oorlog de meeste Joden. Er zijn bij ons in de straat en al die andere straten zo veel Joden weggehaald, ongelooflijk veel; mannen, vrouwen, kindertjes, ze namen alles mee …

Dan is het in Zierikzee (hier, waar ik nu woon), nog redelijk geweest. Er is hier ook weinig gebrek geweest, hoewel het geen vetpot was. Je had hier de boeren, natuurlijk. Mijn moeder is trouwens ook wel op de fiets, over de Amstelbrug, gegaan en dan langs de boer.

Mijn oudste broer is intussen overleden. Die was van 1932 (ik ben van ’36). Ik heb nog een zus van 1946, die heeft de oorlog dus niet meegemaakt en ik heb een broer uit 1943, een oorlogskindje dus, maar die heeft dat ook niet bewust meegemaakt, hij was 2 jaar toen de oorlog afgelopen was. Hoe is het mogelijk dat als je in zo’n situatie zit, die zo explosief is, dat je dan nog kinderen ging maken!
Net als zijn zuster Lena overleefde Herman Wilkens de oorlog. Hij stierf op 1 oktober 1967 te Amsterdam.

Breedstraat 10 in 2016. Foto J. Kroesen.
Breedstraat 10 in 2016. Foto J. Kroesen.

Zierikzee

Toen de oorlog uitbrak, woonden hun ouders, Abraham en Regina Wilkens met dochter Selma en zoon Dolf nog in Zierikzee op Breedstraat 10 (toen Breestraat C 562). Regina zijn de verschrikkingen van de oorlog bespaard gebleven. Zij overleed op 16 december 1941 in Zierikzee en ligt daar begraven op de Joodse begraafplaats.

 

De Joodse begraafplaats in Zierikzee met de grafsteen van Regina Gras. Foto J. Kroesen.
De Joodse begraafplaats in Zierikzee met de grafsteen van Regina Gras. Foto J. Kroesen.
De Joodse begraafplaats in Zierikzee met de grafsteen van Regina Gras. Foto J. Kroesen.
De Joodse begraafplaats in Zierikzee met de grafsteen van Regina Gras. Foto J. Kroesen.

 

 

 

 

 

 

 

Abraham, Selma en Adolph moesten in 1942 gedwongen naar Amsterdam verhuizen. Abraham ging inwonen bij zijn zoon Herman in de Tweede Jan van der Heijdenstraat 47 III. Bram Wilkens over de gedwongen verhuizing vanuit Zierikzee naar Amsterdam: Ze zeiden, jullie moeten allemaal hier Zeeland uit naar Amsterdam en dan was het de bedoeling dat ze naar het getto zouden gaan. Je moest het zelf maar uitzoeken. Als je niets had, een huis, om te huren, ja, dan moest je naar de Joodse wijk.
Ook Selma ging naar Amsterdam. Waar zij onderdak vond, is niet achterhaald. Neef Bram: Selma is ook naar Amsterdam gegaan. Ze woonde niet bij ons. Ik heb haar wel ontmoet. Ze kwam dan met m’n vader praten, natuurlijk, het was een angstige tijd. Ik weet niet waar ze terecht kwam.

Dolf en Herman Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.
Dolf en Herman Wilkens. Coll. A.M. Wilkens.

Zoon Dolf was naar Den Haag gegaan, waar hij woonde op de Neuhuyskade 94. Toen ook hij naar Amsterdam moest, kwam hij daar terecht in de Rapenburgstraat 52hs. Bram Wilkens: Dolf was naar Den Haag gegaan. Hij kreeg daar verkering, is ondergedoken. Zij werd gearresteerd en de SD heeft haar gedwongen te vertellen waar hij ondergedoken zat. Als je daarmee te maken had, met de SD. Hij had z’n haar geblondeerd en zo. Hij was nog erg jong, 29 geloof ik. En zo is iedereen ellendig aan z’n eind gekomen. Zowel Selma als Dolf werden uiteindelijk gedeporteerd.

Vader Abraham Wilkens werd op 12 juli 1943 opgepakt en gedeporteerd: Opa Abraham is toen hij in Amsterdam kwam, een poosje bij ons komen wonen. Je moest je eerst bij de Joodse Raad melden waar je ging wonen. Ik herinner me niet veel van hem, het leek me een hele oude man, in het zwart gekleed, wat ze dan noemen ouderwets. Hij heeft me eens een klap voor m’n kop gegeven, omdat ik met de ijverig gespaarde bruine bonen zat te spelen. Tja, dat mocht niet. En verder: hij was vaak weg, m’n vader natuurlijk ook, wat ze deden weet ik niet. … Hij had een groot kleed, wit met zwart, met een heleboel knopen, dat had hij meegenomen toen hij verplicht was om naar Amsterdam te gaan. Ik weet nog dat hij het in huis had bij ons. Hij heeft vergeten het mee te nemen toen hij opgehaald werd. … Ik zie nog voor me hoe hij weggehaald is. Er kwam een Nederlander met een zwarte leren jas en een SS-er met een hoop lawaai boven. Ze moesten Abraham Wilkens hebben. Ze kijken in de voorkamer en in de achterkamer. Toen zei die Duitser, nou klaar, dan gaan we weer, maar toen zei die Nederlander, wat is daar. Hij bedoelde het zijkamertje. Het was maar een klein huisje hoor, een voorkamer, een zijkamertje en een achterkamer. Maar in die zijkamer lag m’n opa. Nou, aankleden en mee. We hebben nog voor het raam gestaan toen hij in de overvalwagen stapte. Nou, dat is het laatste wat ik van hem gezien heb …

Jan Kroesen

Abraham Wilkens
’s-Gravenhage, 28 oktober 1874
Auschwitz, 5 februari 1943
Bereikte de leeftijd van 68 jaar

Selma Wilkens
Zierikzee, 7 juni 1904
Sobibor, 2 juli 1943
Bereikte de leeftijd van 39 jaar

Adolph Abraham Wilkens
Zierikzee, 28 november 1914
Polen, 31 maart 1944
Bereikte de leeftijd van 29 jaar